De Grote Oorlog- Een pelgrimage naar de Somme
Ik moet een jaar of twaalf geweest zijn toen ik met mijn ouders, mijn broer en zusje in Frankrijk op vakantie was. Wij reden door een prachtig landschap van glooiende heuvels en korenvelden. In de bermen groeiden klaprozen. Maar wat ik mij vooral herinner waren de Engelse oorlogsgraven. Het waren er zoveel. Soms waren ze al uit de verte te zien, soms lagen ze verscholen tussen de bomen. Maar ze zagen er allemaal hetzelfde uit: rijen witte stenen, omgeven door een lage muur van rode steen, een groot wit kruis in het midden en kort gemaaid gras. De begraafplaatsen waren zonder uitzondering prachtig onderhouden. Ik vroeg wat dat allemaal was. Mijn moeder zei alleen maar: ‘Er is hier verschrikkelijk gevochten’. Die woorden maakten diepe indruk op mij. ‘Er is hier verschrikkelijk gevochten’.

Wij reden door Picardië, een département in het Noorden van Frankrijk, gelegen tussen Parijs en het Kanaal. Die streek was het toneel geweest van een van de meest zinloze en massale slachtingen uit de Eerste Wereldoorlog, de slag aan de Somme, genoemd naar de rivier die er doorheen stroomt. Dat wist ik toen allemaal nog niet, maar nu wel. Op de 1e juli 1916, de eerste dag van het grote offensief, vielen er alleen al aan Engelse kant meer dan 50.000 ‘casualties’: doden, gewonden en vermisten. Wie vandaag de dag door het gebied rijdt kan nog steeds niet om de Grote Oorlog heen. Nog steeds zijn de loopgraven te zien als witte littekens meanderend door de krijtbodem. Overal langs de wegen staan monumenten en gedenkstenen. En die talloze begraafplaatsen dus voor de Engelse soldaten, liefdevol onderhouden door de Commonwealth War Graves Commission. Soms liggen er duizenden soldaten bij elkaar, soms honderden, dan weer enkele tientallen. De namen van de gevallenen zijn uitgehakt in witte steen. Als de namen niet bekend zijn staat er even simpel als ontroerend: A soldier of the Great War. Soms met de toevoeging Known unto God.

Ik ben er als volwassene vaak terug geweest. Ik was daar om te proberen iets te begrijpen dat niet te begrijpen valt. Oorlog. Wat mensen elkaar in godsnaam aandoen. Of in God’s naam, het is maar hoe je het bekijkt. Maar ik was daar ook omdat ik gefascineerd was geraakt door de Engelse schrijvers en dichters die aan het West Front hadden gevochten en geprobeerd hadden hun ervaringen op schrift te stellen. The War Poets. Mensen als Edmund Blunden, Ivor Gurney, Siegfried Sassoon, Robert Graves, Wilfred Owen, Vera Britain. Ik wilde het landschap zien waar hun woorden ontstaan waren. Ik wilde uitkijken over dezelfde heuvels die zij hadden gezien voor zij hun vaak zo bittere proza en poëzie opschreven. En door er te zijn wilde ik proberen dieper door te dringen tot hun teksten. Ik wilde bijvoorbeeld het landschap zien van de 23-jarige dichter Noel Hodgeson, van het 9e Devonshire Regiment, die aan de vooravond van het eerste offensief voorvoelde wat er zou gebeuren en deze regels opschreef.
I that on my familiar hill
Saw with uncomprehending eyes
A thousand of they sunsets spill
Their fresh and sanguine sacrifice
Ere the sun swings his noonday sword
Must say goodbye to all this
By all delights that I shall miss
Help me to die, O Lord.
Voor Noel Hodgeson was de zonsopgang van de 1e juli 1916 zijn laatste. De oorlog die aan alle oorlogen een einde zou maken duurde voor hem en zijn wapenbroeders nog geen uur. Toen was het voorbij en had het Duitse mitrailleurvuur aan alle illusies een einde gemaakt. Hodgeson ligt begraven op een klein oorlogskerkhof aan een route départementale tussen Albert en Péronne. Het Devonshire Cementry ligt op dezelfde plek waar ooit hun loopgraaf was. Aan de ingang bij het hek staat een tekst uitgehouwen in steen:
The Devonshires held this trench, the Devonshires hold it still.

Ik ben vaak op de heuvel van Noel Hodgeson geweest, zijn eigen familiar hill. Door er te zijn en het landschap met eigen ogen te zien maak ik mijzelf wijs dat ik iets meer begrijp van wat daar gebeurd is.
Uit: Feestrede ter gelegenheid van het 10-jarig bestaan van De Parelduiker, door Diederik van Vleuten, uitgesproken in de Vondelkerk te Amsterdam op 27 februari 2006.